PL (=Patella Luxatie)

Problemen met het kniegewricht bij katten

Drie jaar geleden verscheen in Felikat Magazine een artikel in de veterinaire rubriek over aangeboren afwijkingen aan de knieschijf (Ottenschot, 1986). Hierin werd aandacht geschonken aan een probleem dat toen nog maar sporadisch voorkwam bij katten. Ottenschot haalt hierin een aantal van slechts acht katten met patella luxatie (= loszittende knieschijf) aan, die hij tot dan toe in zijn praktijk is tegengekomen. Het ging om drie Devonrexen, één huiskat, twee Abessijnen en twee Brits Korthaar blauw. Het zal veel lezers inmiddels bekend, dat recent in Nederland het aantal geconstateerde gevallen bij de Brits Korthaarkatten aanzienlijk is toegenomen. Letterlijk en figuurlijk is het bij dit ras tot onrustbarende hoogte gestegen. Dit vormt voor mij de aanleiding in te gaan op de erfelijke achtergronden. Ook wil ik aangeven hoe fokkers hier iets tegen kunnen doen. Eerst zal ik, niet als dierenarts maar als geïnteresseerde fokker, in het kort uitleggen wat de ziekte is, hoe deze is vast te stellen en wat er aan kan worden gedaan.

Ziektebeeld, diagnose en behandeling

Normaal zijn de kniegewrichten van katten vrij stevig. Bij katten met patella luxatie kan, als de poot gestrekt is, de knieschijf naar binnen worden gedrukt (Flecknell, 197x, Flecknell & Gruffydd-Jones, 1997, Scholten, 1984, Ottenschot, 1986). Bij gewone katten is daar veel kracht voor nodig en schiet de knieschijf meteen terug in de normale positie, zodra de druk ophoudt. Wanneer de knieschijf loszit, schiet hij niet meteen weer terug en is het nodig de poot te buigen, voordat de knie weer de gewone stand aanneemt. Soms blijft de knieschijf zelfs naast het gewricht zitten als de poot helemaal wordt gebogen. Wanneer katten het in nog ernstiger mate hebben, schiet de knieschijf spontaan van zijn plaats en zal de kat de poot strekken en deze op een enigszins eigenaardige, maar karakteristieke manier uitschudden tot de knieschijf weer terug schiet. Katten met ernstige vorm ondervinden hinder bij het lopen en vooral springen. Op latere leeftijd (als de kat zwaarder wordt) gaat dit dan veelal over in kreupelheid of verlamming van een of beide achterpoten. De diagnose is het best te stellen met behulp van een röntgenfoto, terwijl een in botten gespecialiseerde dierenarts ook door voelen kan vaststellen of de knieën goed zijn (Ottenschot, 1986). Bij de laatste methode is het van belang dat het op een gestandaardiseerde wijze wordt gedaan en niet door een dierenarts, die hierin geen enkele ervaring heeft. In het laatste geval zijn de uitkomsten onzeker en onderling niet te vergelijken. In lichte gevallen is operatief ingrijpen niet nodig en kan worden volstaan met er voor te zorgen dat de kat niet zwaar wordt. In ernstiger gevallen (raadpleeg altijd uw dierenarts) zijn er verschillende mogelijkheden, waarvan ik er hier twee wil noemen. Op de eerste plaats het strakker maken van het kapsel om het kniegewricht, maar ook is het mogelijk de groef waarin de knieschijf normaal zit, dieper te maken. Beide zijn met succes toegepast.

 



Wijze van vererving

Patella luxatie bij de kat kan ook ontstaan door een (ernstig) ongeluk. Toch is er meestal een erfelijke oorzaak. Tien jaar geleden durfden de deskundigen nog geen duidelijke uitspraak te doen over de manier waarop de afwijking vererft en werd gesuggereerd dat het om één of meerdere recessieve genen ging (Flecknell, 197x,Flecknell & Gruffydd-Jones, 1979, Ottenschot, 1986). Andere beweren sindsdien dat meerdere genen verantwoordelijk zijn en dat er dus sprake is van polygene vererving (Scholden, 1984, Robinson, 198x). Omdat ik zelf overtuigd ben van de juistheid van het laatste standpunt, zal ik trachten dit hier aannemelijk te maken.

Er zijn eigenlijk drie mogelijkheden van vererving:

Ik zal trachten aan te tonen dat de eerste drie niet mogelijk zijn. Mogelijkheid a. en b. wijzen beide op een dominant gen. Mogelijkheid a. valt af, omdat er vrij veel gevallen zijn waarbij beide ouders goede knieën hebben, maar wel kittens krijgen waarbij dat niet het geval is. Bij mogelijkheid b. zijn er drie verschillende genotypen (Stel AA, Aa en aa, met AA de kreupele kat, Aa met slechte knieën en aa met perfecte knieën). Ook hier geldt, dat het niet te verklaren is dat uit twee katten met normale knieën luxerende kittens worden geboren (uit aa x aa komt nooit Aa of AA). Die mogelijkheid valt dus ook af. Blijven over mogelijkheid c. en d. Vererving door één enkel recessief gen is niet mogelijke, omdat er dan alleen katten met en zonder deze afwijking zouden zijn. Maar in werkelijkheid is er bij patella luxatie altijd sprake van een continue variatie in de ernst van de afwijking. Er zijn katten met een normale knieschijf, waar helemaal niets aan mankeert. Dan zijn er katten, waarvan de knieschijf loszit en dus vrij gemakkelijk van zijn plaats kan worden geduwd, maar vanzelf weer terugschiet. De derde categorie bestaat uit katten waarbij de knieschijf door licht buigen weer terugschiet en bij de vierde groep katten blijft de knieschijf naast het gewricht, al wordt de poot gebogen. Is de afwijking nog ernstiger, dan zal af en toe de knieschijf vanzelf luxeren. Kreupelheid en verlamming van de achterpoot is de ernstige vorm.
Tussen al deze graden van ernst zijn tussenvormen mogelijk en er is dus duidelijk een geleidelijke overgang van een perfect naar een ernstig afwijkend kniegewricht. Dit is een duidelijke aanwijzing dat er meer dan één gen in het spel is. In de loop van de jaren heb ik vrij veel fokgegevens verzameld, met name van Engelse Devon Rexen, waar deze afwijking vooral in het einde van de jaren zeventig en begin jaren tachtig voorkwam. Hieruit blijkt dat er vaak meerdere kittens in één nest luxeren. Deze en andere gegevens zijn in strijd met wat er zou gebeuren als er slechts één (recessief, dominant of onvolledig dominant) gen bij betrokken is, maar zijn te verklaren als we uitgaan van polygene vererving, een manier waarop heel veel eigenschappen vererven die met Agroei te maken hebben. Of er bij patella luxatie ook sprake is van een Atreshold character (drempelwaarde) is nog onduidelijk. Als dat het geval zou zijn, moet er een bepaald minimum aantal plusgenen (die voor patella luxatie verantwoordelijk zijn) werkzaam zijn voordat er van een afwijking aan de knieën sprake is.
Enige uitleg over polygene vererving is hier wel op zijn plaats. Wanneer een eigenschap d.m.v. meer dan één gen vererft, is dit het beste als volgt voor te stellen. Hoe meer Aplusgenen die kat heeft, deze te meer zal hij/zijn in het uiterlijk die eigenschap vertonen; hoe meer Amingenen, des te minder. Gaat het om de lengte van de neus, dan zorgen de plusgenen voor een lange neus en de mingenen voor een korte. Hoe meer plus, hoe langer de neus. Kruist men twee katten met een middelmatige neus, dan zal bij de nakomelingen een middelmatige neuslengte ook het meeste voorkomen, maar de extremen (een zeer lange neus en een zeer korte) komen ook voor, zij het sporadisch.

Met dit beeld voor ogen weer terug naar de patella luxatie. Om wat minder in het luchtledige te praten, doe ik nu net of ik precies weet hoeveel genen er een rol spelen (5 paar) en bovendien doe ik alsof katten met meer dan twee plusgenen een luxerende patella hebben. Kruisen we hier twee katten met knieën die niet perfect zijn (beiden vijf plusgenen), maar ook niet aanleiding geven tot kreupelheid (Amiddelmatige zou je dat bij de neuslengte noemen, maar hier natuurlijk niet), dan zullen veel nakomelingen knieën hebben als de beide ouders. Een enkeling heeft ondanks alles perfecte knieën, maar even vaak zullen er kreupele nakomelingen uit komen.
Kruising van twee katten die erg beroerde knieën hebben, zal vooral katten met patella luxatie opleveren. Kruisen we twee katten met ogenschijnlijk goede knieën (maar beide met twee genen maar net onder de drempelwaarde), dan is het toch mogelijk om hieruit katten met enigszins loszittende knieschijven te krijgen. In dit geval zo'n dertig procent. Per kitten dat geboren wordt dus kans van één op de drie. Gaan we van een ander geval uit, dan liggen de kansen weer anders. Bijv.: een kat met twee plusgenen maal een kat met één plusgen geeft per kitten een kans van meer dan 12 procent (1 op 8) om luxerende knieën te hebben. Enzovoort. Uiteraard weten we niet of het precies zo gaat, maar zeker is dat het ongeveer op deze wijze vererft en dat is belangrijk om te weten, als we de afwijking uit het ras willen fokken.

Uitfokken

Het uitfokken van een erfelijke afwijking die door meer dan één gen veroorzaakt wordt, is altijd een moeizame en langdurige kwestie. Denk bijv. maar aan heupdysplaesie bij de hond, wat ook polygenetisch vererft. Toch zijn ook hier goede resultaten te behalen, zoals ik aan de hand van patella luxatie bij de Devon zal proberen uit te leggen. Zo'n tien jaar geleden kwam bij enkele Engelse Devon catteries op grote schaal patella luxatie voor. Dieren uit deze catteries werden ook geëxporteerd, maar vooral naar Duitsland. Regelmatig werden in Duitsland luxerende kittens geboren en ook in Nederland kwam de afwijking af en toe voor. Op initiatief van een Duitse fokker werd de zaak serieus aangepakt en catteries die regelmatig kittens met de afwijking gekregen, lieten van alle bij hen geboren dieren röntgenfoto's maken. De meeste fokkers (in Nederland) laten alle kittens op een leeftijd van drie maanden nakijken. Om van de ziekte af te komen is de volgende gedragslijn door de Duitse en Nederlandse fokkers gebruikt: niet fokken met een dier waar ook maar iets op de knieën is aan te merken!

In tien jaar tijd zijn daar goede resultaten mee bereikt en de afwijking is de laatste twee jaar, voor zover ik weet, noch in Nederland noch in Duitsland voorgekomen. Tegelijkertijd waren vele fokkers in Engeland een andere mening toegedaan. Zij tilden wat minder zwaar aan de afwijking en lieten hun dieren niet onderzoeken. Het gevolg daarvan laat zich raden: in dat geval is het niet uit te sluiten dat een fokker van tijd tot tijd met lijders aan de ziekte fokt en er zo voor zorgt dat het aantal gevallen niet afneemt. Het resultaat is een vrij frequent voorkomen van patella luxatie bij de Engelse Devons, dit in tegenstelling tot bij continentale Devons. Van enig geluk is hierbij wel sprake. Toen de afwijking voor het eerste bekend werd op het vasteland, waren er nog maar weinig importen uit de Engelse catteries bij wie het veel voor kwam. Op het moment dat het fokprogramma begon, was de situatie dus nog niet zo erg, waardoor in relatief korte tijd goed resultaten werden behaald.
Algemeen kan worden gezegd dat bestrijding van de afwijking er op gericht moet zijn zoveel mogelijk plusgenen uit de populatie te fokken. De mate waarin dit moet gebeuren, is een keus die men moet maken. Bij een strenge aanpak wordt er niet gefokt met katten waar ook maar iets aan de knieën mankeert en ook niet met de ouders, broers en zusters. Een minder strenge aanpak sluit alleen katten uit waarvan de knieschijven niet perfect zijn.
Deze laatste aanpak maakt het de fokkers wat gemakkelijker, maar heeft wel tot gevolg dat het langer duurt om eenzelfde resultaat te verkrijgen. Als bijv. alle Brits Korthaar fokkers besluiten om gezamenlijk zo snel mogelijk van het probleem af te komen, verdient de strenge aanpak uiteraard de voorkeur.
In de praktijk zal het vaak zo zijn, dat dit een idealistisch standpunt is, maar dat in de harde realiteit van de kattenwereld de minder strenge aanpak het maximaal haalbare is. Minder dan dat zal tot gevolg hebben dat in de toekomst over de Nederlandse Brits Kortharen net zo gepraat zal worden als over de Engelse Devons. De kop in het zand steken is altijd gemakkelijker, maar lost niets op. Om vast te stellen welke dieren aan patella luxatie lijden, is het noodzakelijk om alle dieren hierop te laten onderzoeken, bijv. als ze toch naar de dierenarts gaan om te worden geënt, op een bijeenkomst (rasdag) van de rasclub, en bij voorkeur ook voordat ze voor de fok worden gebruikt. (bijv). ten tijde van de eerste IF-test.

Verantwoordelijkheid

Hoewel patella luxatie geen ziekte is met een dodelijke afloop, is het wel een ernstige afwijking. Het spreekt dan ook vanzelf dat katten met de afwijking (in hoe lichte mate dan ook) voor de fok moeten worden uitgesloten. Het lijkt mij voor ieder weldenkend mens ook duidelijk dat het onverantwoord is om te fokken met dieren die met succes aan de knieën zijn geopereerd. Voor de kat is zo'n operatie (mits geslaagd) prima, maar de genen worden niet geopereerd en de kat kan de ziekte wel via zijn nakomelingen door het ras verspreiden. Een fokker van Felikat laat zijn dekkater opereren aan zijn knikstaart. Waarom niet, denkt u misschien terecht. Om dit dier daarna in te schrijven voor shows gaat tegen de regels van Felikat en Mundikat en de FIFe in en zou daarom bestraft moeten/kunnen worden. Moreel verwerpelijk en onverantwoord is het om daarna deze kater op de dekkaterlijst te zetten en, zonder de poezeneigenaar hiervan op de hoogte te stellen, dekkingen te geven.

Van katten met patella luxatie is mij zoiets niet bekend, maar er zijn wel fokkers en dekkatereigenaren die niet schromen katten voor de fok te gebruiken die geen goede knieën hebben. Wanneer ze hierop worden gewezen, gebruiken ze als argument dat de kat toch goed loopt, al zit de knieschijf dan wat los.
De laatste jaren heb ik, helaas, nogal wat te maken gehad met erfelijke afwijking bij katten. Voor de kat erg, maar met een goed fokprogramma is er heel wat aan te doen. Veel erger is de manier waarop de fokker hiermee omgaat. Ik begrijp best dat veel fokkers zich schamen, als blijkt dat een of meer van zijn/haar katten een erfelijke ziekte heeft of draagt. Maar daar is geen enkele reden voor, want het is gewoon een kwestie van veel pech hebben. Beschamend is het alleen om dit te verzwijgen en er niets aan te doen. Bovendien verkoopt men dan kittens, waarvoor de nieuwe eigenaar zich als toekomstig fokker (onterecht) moet schamen, want hij wist van niets. Om zulke zaken goed aan te pakken, moet je niet alleen te werk gaan met een programma om de afwijking uit het ras te fokken. Gezamenlijke inspanning van liefst alle fokkers is dan nodig. De houding en medewerking van de betreffende rasclub kan hierin van groot belang zijn. Zij kent de problemen meestal van nabij en kan bemiddelend en sturend optreden bij conflicten die zeker in de begintijd zullen volgen. Ook kan zij haar leden voorlichten over het bestaan van de afwijking en wat er aan te doen is. Het stimuleren van een onderzoeksprogramma (welke katten hebben het) en de archivering ervan lijkt ook een taak van de rasclub.

Ook voor de overkoepelende vereniging (in Nederland Felikat of Mundikat) is een belangrijke taak weggelegd. Veel erfelijke afwijkingen (waaronder patella luxatie) komen bij verschillende rassen voor. Als een probleem zich bij een ras voordoet, kan de vereniging de fokkers en de betreffende rasclub helpen met de ervaring die bij andere rassen in binnen- en buitenland is opgedaan, zodat veel sneller met een adequate bestrijding kan worden begonnen. Ook kan de vereniging bemiddelen in het geval van meningsverschillen of ruzies over de aanpak van de bestrijding. Tenslotte kan de vereniging, na zorgvuldige overweging, besluiten maatregelen te nemen om de fokkers te dwingen aan een bepaald fokprogramma mee te werken. Dat laatste is tot nu toe niet gebeurd, maar ik acht dit in de toekomst niet uitgesloten.

Het moet u langzamerhand wel duidelijk zijn, dat een erfelijk probleem niet iets is waar alleen de kat mee te maken heeft. Voor de fokker, rasclub en kattenvereniging ligt er een taak die mij duidelijk voor ogen staat. Helaas heeft de praktijk mij de laatste jaren geleerd dat niet iedereen het hierover met mij eens is. De katten echter zijn er bij gebaat als u uw verantwoordelijkheid niet ontloopt of stopt met fokken.

 

® CuanCats

bron: Felikat